Recent verschenen

INHOUD VAN 2009/3 [jg. 51, nr. 3]

Remco Sleiderink, Een verhaal in losgeraakte delen. De volgorde van Jonathas ende Rosafiere in het handschrift-Borgloon en de Amsterdamse gedrukte fragmenten

Film en literatuur in Vlaanderen en Nederland

Boekbeoordelingen

Mike Kestemont, Het krassen van de raaf
over: Tiecelijn. Jaarboek 1 van het Reynaertgenootschap

Samuel Mareel, In de breedte en in de diepte. Twee en een halve eeuw rederijkerij en stedelijke cultuur in de Zuidelijke Nederlanden
over: Anne-Laure Van Bruaene, Om beters wille. Rederijkerskamers en de stedelijke cultuur in de Zuidelijke Nederlanden (1400-1650)

Anneke C.G. Fleurkens, Met volle overtuiging. Discussiecultuur in praatjespamfletten
over: Clazina Dingemanse, Rap van tong, scherp van pen. Literaire discussiecultuur in Nederlandse praatjespamfletten (circa 1600-1750)

Kris Steyaert , Gezelle met valse noten
over: Veerle Bosmans, Piet Couttenier en Jan Dewilde (ed.), De zingende dichter: Vlaamse en internationale liedkunst op poëzie van Gezelle

Manu van der Aa, Maurice Gilliams als recensent
over: Liesbeth van Melle (ed.), Maurice Gilliams in Contact (1934-1937)

Valerie Rousseau, Capriolen en spagaten als hommage aan Krol. De kunst van het samen(-)vatten
over: Bart Vervaeck & Ad Zuiderent (ed.), Gerrit Krol: werken op het snijpunt.

Sven Vitse, Een pleidooi voor ‘laatpostmodern’ engagement
over: Thomas Vaessens, De revanche van de roman. Literatuur, autoriteit en engagement

Liselotte Hammond, De Europese visie op het vreemde
over: Werkwinkel. Tijdschrift voor Nederlandse en Zuid-Afrikaanse Studies

Thomas Van Parys, Een kwestie van singulariteit?
over: Sabine Hillen, Kort en lang boekenplankleven. Literatuur in een tijd van digitalisering

 

 

Abstracts

Remco Sleiderink, Een verhaal in losgeraakte delen. De volgorde van Jonathas ende Rosafiere in het handschrift-Borgloon en de Amsterdamse gedrukte fragmenten

Abstract – Het verhaal Jonathas ende Rosafiere is fragmentarisch overgeleverd in vijf tekstgetuigen van de 14de tot de 16de eeuw waarvan er hier twee worden bestudeerd. Ten eerste wordt vastgesteld dat de Amsterdamse gedrukte fragmenten (Amsterdam, UB, OK 66-211) de restanten vormen van een misdruk waarin passages zonder oog voor de inhoud of de vorm door elkaar zijn gehaald. De fragmenten van deze postincunabel kunnen daarom niet worden gebruikt om de volgorde vast te leggen van een andere tekstgetuige, het handschrift-Borgloon (Amsterdam, UB, I A 24, l, m, n), met name de omkering van fol. xix en xx zoals die werd beargumenteerd door D.J. Huizinga (1975) en aanvaard door alle recente onderzoekers van het verhaal. In deze bijdrage wordt getoond dat we een beter zicht krijgen op het verhaal en op de lacunes als we terugkeren naar de 19de-eeuwse volgorde van het handschrift-Borgloon en de verzen uit de Amsterdamse gedrukte fragmenten op een nieuwe manier schikken. Daarmee wordt de weg gebaand voor een nadere analyse van het verhaal en een verdere reconstructie van de tekstgeschiedenis.

Abstract – The story of Jonathas ende Rosafiere has been transmitted in fragmentary form in five text witnesses in Middle Dutch dating from the 14th to the 16th centuries, two of which are studied in this article. Here it is demonstrated that the printed Amsterdam fragments (Amsterdam, UB, OK 66-211) are the remains of a misprint with a disrupted text order. Therefore, the fragments of this postincunable cannot be used to establish the order of another text witness, the Borgloon manuscript, in particular as to the inversion of fol. xix and fol. xx (19th-century foliation) as argued by D.J. Huizinga (1975) and accepted in all recent scholarship on the topic. This article shows that we get a better understanding of the story and the gaps therein if we return to the order given to the Borgloon manuscript in the 19th century and rearrange the verses of the printed Amsterdam fragments differently. This opens up new avenues for further analysis of the story and for a better reconstruction of the textual history.

 

Lars Bernaerts, Naar een autonome kijktekst. Ivo Michiels’ Met Dieric Bouts en Een tuin tussen hond en wolf als experimentele filmliteratuur

Abstract – In het oeuvre van Ivo Michiels zijn tal van verwijzingen naar het fimmedium te vinden, maar enkele teksten doen veel meer dan refereren. In deze bijdrage wordt het experimentele en intermediale karakter van Met Dieric Bouts (1975) en Een tuin tussen hond en wolf (1977) besproken. Beide zijn het product van een intensieve samenwerking met regisseur André Delvaux en bijzondere vormen van filmliteratuur. Het filmproject Met Dieric Bouts is een combinatie van artistieke documentaire en zelfreflectie vanwege de makers ervan. In Michiels’ tekst en Delvauxs film wordt het creatieve proces dat met de film gepaard ging, geïntegreerd. Het experiment van de scenarioroman Een tuin tussen hond en wolf is van een andere orde. Hier haalt Ivo Michiels via narrative strategieën de esthetiek en pragmatiek van de film in de tekst binnen. In de bijdrage wordt de tekstuele eigenheid van de interactie tussen film en tekst in Met Dieric Bouts en Een tuin tussen hond en wolf nader onderzocht.

Abstract – The work of Ivo Michiels contains a lot of references to the cinematic medium, but some texts go further than that. In this essay, the experimental and intermedial qualities of Met Dieric Bouts (1975) and Een tuin tussen hond en wolf (1977) will be specified. Both texts are the product of an intensive collaboration with the director André Delvaux and both are intriguing examples of cinematic literature. The project Met Dieric Bouts combines an artistic documentary with a self-conscious reflection on the making of the movie. The creative process is represented in the film and in Michiels’s text. The experiment of Een tuin tussen hond en wolf is of a different kind. In this script novel, Ivo Michiels uses narrative strategies to integrate the aesthetics and pragmatics of the cinematic medium. In my essay, the interaction between film and text in Met Dieric Bouts and Een tuin tussen hond en wolf will be unraveled along these lines.

 

Rita Ghesquiere, Het feuilleton is beter dan het boek! Over Johan en de Alverman

Abstract – De bijdrage onderzoekt Johan en de Alverman (2 dln) een novellisatie van de succesrijke Vlaamse televisieserie uit 1966-1967. Het televisieboek is door zijn lage status moeilijk grijpbaar. Terwijl het feuilleton in binnen- en buitenland geprezen werd, vonden de boeken, ondanks de hoge oplage, bij de recensenten slechts weinig weerklank. De argwaan tegenover het fenomeen televisieboek heeft te maken met de commercialisering en met een zekere angst bij de opvoeders. Analyse maakt echter duidelijk dat deze novellisaties kenmerken vertonen o.m. een dosis onbepaaldheid, spelen met taal, alternatieve personages, die pas in de volgende decennia doorbreken en dan op waardering kunnen rekenen. Johan en de Alverman, dat een loopje neemt met de klassieke genres mist aansluiting met het traditionele jeugdboek. Omdat ook de maatschappijkritische toon ontbreekt die de jeugdliteratuur vanaf de jaren zeventig vernieuwt, kan Lo Vermeulen  door de plotse ommekeer naar realistische probleemboeken de vernieuwing niet meteen verzilveren.  

Abstract – This contribution focuses on the novelisation of Johan en de Alverman (= John and the Goblin) a successful Flemish television series (1966-1967). Due to its low status, information on this book was almost unavailable. Whereas the television series has been highly praised in Belgium and abroad, the book was poorly received by the critics, who were especially suspicious of the commercialisation. Our analysis makes clear that the novelisation displays some interesting characteristics: gaps, alternative characters, and humour. These characteristics become prominent in children’s literature a few decades later and only then do they meet with appreciation. Johan en de Alverman disregards genre classifications and eschews the connection with traditional children’s literature. Moreover, the absence of serious social criticism – which becomes the driving force of the renewal of children’s literature in the 1970’s, when problem novels make up the canon – worked against the critical approval of the book’s unusual and original approach. 

 

Bart Nuyens, Filmische elementen in de literatuur. Louis Paul Boon en Hugo Claus

Abstract – Louis Paul Boon en Hugo Claus hebben de naoorlogse Vlaamse roman gemoderniseerd, en daarbij heeft de film – of beter: een bepaald corpus van films – een specifieke, zij het voor elke auteur verschillende, invloed uitgeoefend. Aangezien de auteurs zelf hebben gewezen op die invloed, dient deze te worden onderzocht. Dat onderzoek mag niet vervallen in een oppervlakkige overheveling van filmtheoretische terminologie naar de literatuurwetenschap. In plaats daarvan pleit dit artikel voor een interdisciplinaire onderzoeksmethode, waarbij poëticale, biografische, tekstgenetische, thematische en interpretatieve argumenten aannemelijk maken dat Boon en Claus zodanig doordrongen waren van een bepaalde filmvorm, dat zij er de middelen in herkenden om de roman van aanschijn te doen veranderen. Boon herkende die middelen vooral in de late stille film, terwijl Claus ze trachtte over te nemen van de surrealistische en burleske film. De literatuurwetenschap moet nu een methode zoeken om de formele, stilistische invloed van film op literatuur wetenschappelijk – en dus niet-metaforisch – te  beschrijven.

Abstract – Louis Paul Boon and Hugo Claus have modernized the postwar Flemish novel, and in the process of modernization both authors were highly influenced by film, or more specifically by a specific corpus of films, in two distinct ways. Since the two authors themselves have acknowledged this influence, it needs to be further examined. This should not be done by simply transferring the terminology of film theory superficially to literary analysis, thus using the terms metaphorically. Instead, this article supports an interdisciplinary research approach that shows how Boon and Claus were fascinated by film, and how their fascination pointed them to the formal innovation of the Flemish novel. This is done by combining insights into their conceptions of literature as well as thematic and interpretative arguments, with biographical and textual genetic evidence. Thus, it can be claimed that Boon found these innovative techniques in the silent film, while Claus was captivated by the surrealist film and the burlesque film. The challenge for literary studies now is to find a method that can describe the formal and stylistic influence of film on literature in a scholarly manner.

 

Peter Verstraten, Van jeugdsentiment tot opzichtige camp: Ja zuster, nee zuster

Abstract – Behalve novellisaties ten tijde van de populaire Nederlandse tv-reeks Ja zuster, nee zuster (1966-1968) verschenen er ruim drie decennia later nog twee verboekingen. Een daarvan kiest uit overwegend nostalgische overwegingen voor een zo getrouw mogelijke reconstructie van de serie. De andere novellisatie verschijnt pas nadat de reeks succesvol is bewerkt tot een film die vanwege zijn dubbele bodems uitnodigt tot een camp lezing. In de verboeking wordt de homoseksuele subtekst van deze film benadrukt via opzichtig fleurige foto’s, ludieke illustraties en verwijzingen naar videoclips.  De variëteit aan beeldstijlen heeft in deze verboeking een prominentere signatuur dan tekst. Het hybride karakter van het mediale object staat hier niet in dienst van een werkelijkheidsillusie of van een authentieke ervaring zoals de theorie van remediëring veronderstelt. De hypermediatie dikt slechts de groteske kunstmatigheid van de diëgetische wereld aan. Dat maakt deze door de film bemiddelde verboeking tot een vorm van anti-remediëring bij uitstek.

Abstract. – Apart from novelisations at the time of the popular Dutch television series Yes sister, no sister (1966-1968), two other novelisations were published more than three decades later. Out of predominantly nostalgic considerations, one of them opts for a faithful reconstruction of the original program. The other novelisation was written after the series had been reworked into a successful film that invited camp readings. In the book, the homosexual subtext of the film is emphasized by way of colorful photographs, playful illustrations and references to videoclips. The variety of visuals is more prominent than the text in this novelisation. The theory of remediation presupposes that the hybrid nature of a medial object is in the service of an illusion of reality or meant to convey an authentic experience. By contrast, hypermediacy only highlights the grotesque artificiality of the diegetic world. Hence, this novelisation is a form of anti-remediation par excellence.

 

 


Spiegel der Letteren
t.a.v. Bart Vervaeck
Nederlandse literatuur UGent
Blandijnberg 2
B-9000 Gent
e-mail: b.vervaeck@ugent.be
tel:  + 32 (0)9 264 40 67
fax: + 32 (0)9 264 79 91

Oorspronkelijk ontwerp 2004 S.R. @ Maerlant Centrum