Recent verschenen

INHOUD VAN 2009/4 [jg. 51, nr. 4]

Frans Steyaert, O krancke troost! Ter interpretatie van Vondels ‘Uitvaert van mijn dochterken’

Sven Vitse, Montage en netwerk. Ander proza en de postmoderne roman

Marc van Zoggel, Literaire pseudonimiteit als samenspel van auteur en lezer

In Margine

Marijke Spies, Spook spreekt een woordje terug

Boekbeoordelingen

Paul Wackers, Veldeke voor een breed publiek

over: Jozef D. Janssens, In de schaduw van de keizer. Hendrik van Veldeke en zijn tijd (1130-1230)

Ulrike Wuttke, Geleerde bruggenbouwers in de volkstaal

over: Orlanda S.H. Lie & Lenny M. Veltman (ed.), Kennis-maken. Een bloemlezing uit de Middelnederlandse artesliteratuur

Maria-Theresia Leuker, Vroegmodern theater in Amsterdam en Hamburg in vergelijkend perspectief

over: Kornee van der Haven, Achter de schermen van het stadstoneel. Theaterbedrijf en toneelpolemiek in Amsterdam en Hamburg 1675-1750

Nele Bemong, Heldendom: een plooibaar verschijnsel

over: Lotte Jensen, De verheerlijking van het verleden. Helden, literatuur en natievorming in de negentiende eeuw

Philip Vermoortel, Och, als men lezen kon!

over: Saskia Pieterse, De buik van de lezer. Over spreken en schrijven in Multatuli’s Ideën

Charlotte Cailliau, ‘Veel zullen ’t niet zijn want we correspondeerden zelden’

over: Willem Kloos & Albert Verwey, Van de liefde die vriendschap heet. Brieven 1881-1925

Hans Anten, Ambivalente verbeeldingen van Berlijn in Nederlandstalig proza

over: Ute Schürings, Metaphern der Groβstadt. Niederländische Berlinprosa zwischen Naturalismus und Moderne

Wilbert Smulders, Voor- en nadelen van kwantitatief onderzoek

over: Lex van de Haterd, De waarheid hooger dan de leus. Over de beeldvorming rondom tijdschrift en uitgeverij ‘De Gemeenschap’ 1925-1941

Carl de Strycker, Oneigenlijk gebruik… van William Marx

over: Geert Buelens, Oneigenlijk gebruik. Over de betekenis van poëzie

Sandra van Voorst, Magnum opus

over: Hugo Verdaasdonk, Snijvlakken van de literatuurwetenschap

 

 

Abstracts

Frans Steyaert, O krancke troost! Ter interpretatie van Vondels ‘Uitvaert van mijn dochterken’

Abstract – Deze bijdrage corrigeert de gangbare verklaring van het laatste vers van Vondels ‘Uitvaert van mijn dochterken’. De traditionele lezing plaatst de blijvende (vaderlijke) smart tegenover het voorbijgaand eerbetoon van een speelkameraad, dat als een zwakke troost wordt beschouwd. De nieuwe interpretatie plaatst tegenover dit eerbetoon veeleer het gedicht zelf, dat de tijd zal doorstaan. Vondel heeft dus, naar het voorbeeld van Horatius’ exegi monumentum, troost gevonden in het scheppen van een blijvend gedenkteken voor zijn dochter. Deze lezing is niet enkel syntactisch en prosodisch plausibel, maar ze blijkt ook uit de ontleding van het gedicht zelf. De laatste strofe is een consolatio die de voorbijgaande begrafenispraal tegenover de durende herinnering plaatst. Een gelijkaardige consolatio vindt men nog in andere epicedia, het genre waartoe dit gedicht behoort, van Heinsius en Vondel. Dat Vondel zijn bedoeling niet uitdrukkelijker te kennen gaf is het gevolg van de discretie die het gedicht hem oplegde.

 

Abstract - In the last verse of Vondel’s ‘Uitvaert van mijn dochterken’ the implied opposite of the homage offered by a playmate – considered by the poet as weak and short – is not the enduring sorrow of the father, as it is usually understood. The poem, which overcomes time, is itself the opposite. Following Horatius’ Exegi monumentum aere perennius, Vondel found comfort in creating a lasting monument for his daughter. This reading is syntactically, semantically and prosodically plausible and results from the analysis of the last strophe. This is a consolatio in which the weakness of the funeral pomp (funerum magnificentia) is opposed to the strength of the poetical remembrance (memoriae decus). A comparable kind of consolatio is to be found in other epicedia by Heinsius and Vondel. That Vondel did not speak expressis verbis is the result of the discretion that the subject imposed him.

Sven Vitse, Montage en netwerk. Ander proza en de postmoderne roman

Abstract – Over de verhouding tussen het zogeheten ‘andere proza’ en het postmoderne proza in Nederland en Vlaanderen lopen de meningen van literatuurwetenschappers uiteen. Dit artikel levert een bijdrage aan de vergelijkende studie van het andere proza en de postmoderne roman door te focussen op twee vormelijke principes die in respectievelijk het andere proza en de postmoderne roman een belangrijke rol spelen: de montagevorm en de netwerkstructuur. Montage houdt in dat verschillende tekstfragmenten en tekstsoorten naast elkaar geplaatst worden, zodat de narratieve ontwikkeling doorbroken wordt. De netwerkstructuur veronderstelt dat een aantal tekstelementen op een complexe manier met elkaar verbonden zijn en zo een betekenissurplus genereren. Auteurs van ander proza gebruiken de montagevorm als een ideologiekritische aanval op de eenheid van het literaire werk. De netwerkvorm suggereert een wereldbeeld waarin voor een avant-gardistische buitenpositie geen plaats meer is. In dit artikel worden voorbeelden besproken van de montagevorm in het werk van auteurs van ander proza (Polet, Vogelaar, Van Marissing) en van de netwerkstructuur in postmodern proza (Ferron, Jongstra, Verhelst). Daarnaast wordt de these van dit artikel genuanceerd aan de hand van enkele tegenvoorbeelden.

Abstract Literary scholars do not agree about the relationship between experimental ‘other prose’ and postmodern fiction in the Netherlands and Flanders. This article contributes to the comparative study of other prose and the postmodern novel by focusing on two formal principles that play an important part in respectively other prose and the postmodern novel: montage and network. Montage implies that various scraps of texts and different types of text are juxtaposed, so as to break up the narrative structure. A network signifies that a number of textual elements are connected in a complex, rhizomatic structure, generating a surplus of meaning. Authors of other prose use montage to criticize the prevailing ideology and to attack the unity of the literary work. The network system implies a world view which leaves no room for an avant-garde outside position. This article discusses examples of montage and network taken from literary works by authors of other prose (Polet, Vogelaar, Van Marissing) and of postmodern prose (Ferron, Jongstra, Verhelst). At the end, a few counterexamples are discussed to qualify the main thesis of this article.         

Marc van Zoggel, Literaire pseudonimiteit als samenspel van auteur en lezer

 

Abstract – Dit artikel wil aantonen dat pseudonimiteit een interessant object is voor onderzoek naar auteurschap en auteursstrategieën, maar ook dat het een grotere reikwijdte heeft dan auteursgerelateerde vragen. Pseudonimiteit heeft onvermijdelijk betrekking op een interactie tussen auteur, tekst, context en lezer. In het eerste deel van het artikel wordt pseudonimiteit gedefinieerd in termen van een ‘literair feit’. Op basis van Foucaults concept van de ‘auteursfunctie’ en Kripke’s taalfilosofische ideeën over eigennamen wordt uiteengezet dat een pseudoniem pas een andere auteur genereert als de reële auteur al eerder onder eigen naam of een ander pseudoniem heeft gepubliceerd. In het tweede deel wordt theorievorming rondom auteursintenties, in het bijzonder Hans Vandevoordes ideeën omtrent dit thema, toegepast op pseudonimiteit. Uit bestudering van pseudoniemgebruik van Willem Frederik Hermans en ideeën van Couturier en Compagnon over auteur en lezer blijkt tenslotte dat een extra categorie van auteursintenties nuttig kan zijn: impliciete externe intenties.

 

Abstract – This article argues that pseudonymity is not only an interesting subject for research on authorship and authorial strategies, but that it also reaches beyond questions of the authorial kind. It inevitably involves an interaction between author, text, context and reader. In the first part of the article pseudonymity is defined in terms of a ‘literary fact’. Starting from Foucault’s concept of the ‘author function’ and Kripke’s linguistic philosophy on proper names, it becomes clear that a pseudonym may generate a different author as long as the empirical author has previously published under a pseudonym or under his own name. In the second part, theories about authorial intentions, in particular Hans Vandevoorde’s ideas on this subject, are applied to pseudonymity. By studying the pseudonymity of the Dutch author Willem Frederik Hermans and ideas of Couturier and Compagnon on the author and the reader, it is shown that an additional category of authorial intention may be useful: implicit external intentions.

Marijke Spies, Spook spreekt een woordje terug

Abstract – Dit artikel is een reactie op twee bijdragen van Jürgen Pieters, gepubliceerd in Spiegel der Letteren 2005 en 2009. Daarin betoogt hij dat, in vergelijking met de innovatieve methodologie van het New Historicism, de in Nederland vigerende vakbeoefening hopeloos verouderd is. Daarbij voert hij een aantal theoretische uitspraken van Marijke Spies aan als voorbeeld. In dit antwoord analyseert de auteur zijn argumentatie, wijst ze een aantal lacunes erin aan, en probeert ze zijn betoog op hoofdpunten te weerleggen.  

Abstract – This article is a reply to Jürgen Pieters’s two contributions published earlier in Spiegel der Letteren 2005 and 2009. In those texts Pieters discussed the role of New Historicism in the study of Dutch historical texts. Compared to the innovative New Historicist methodology, the approach of the present author was said to be hopelessly out of date. The present article analyses Pieters’s arguments and tries to counter them.

 


Spiegel der Letteren
t.a.v. Bart Vervaeck
Nederlandse literatuur UGent
Blandijnberg 2
B-9000 Gent
e-mail: b.vervaeck@ugent.be
tel:  + 32 (0)9 264 40 67
fax: + 32 (0)9 264 79 91

Oorspronkelijk ontwerp 2004 S.R. @ Maerlant Centrum