 |
INHOUD VAN 2010/1 [jg. 52, nr. 1]
Youri
Desplenter,
Huis-tuin-en-keukenmoraal? Jan van Leeuwen en de tien
geboden
Nele Bemong,
Intersystemische relaties tussen
historische romans en orale verhaalcultuur. De rol van
motiefchronotopen
Wouter
Schrover, Het
vonnis van de lezer. Over het verhaal ‘Jansen’ van L.H.
Wiener
Jos Joosten, ‘Toch
is het niet altijd even hoogstaand en prijzenswaardig’.
Nederlandstalige literatuurkritiek op het internet
Boekbeoordelingen
Tom Deneire,
Daniel Heinsius (1580-1655): de
Gentse nachtegaal
over: Eckard Lefèvre &
Eckart Schäfer (ed.), Daniel
Heinsius. Klassischer Philologe und Poet
Lise Gosseye,
Monument op de plank
over: Constantijn Huygens,
Hofwijck. Ed. Ton van Strien & Willemien B. de Vries
Janneke Weijermars,
Trots op Nederland in Helmers’
natie
over: J.F. Helmers,
De Hollandsche natie. Ed. Lotte Jensen & Marinus van
Hattum
Jos Muyres,
Over Cyriel Buysse en het naturalisme en
over nog veel meer
over: Mededelingen van het Cyriel Buysse
Genootschap XXIV
Elke Brems,
Broeihaard en broedplaats: vrouwen en literatuur in
Nederland
over:
Jane
Fenoulhet, Making the Personal
Political: Dutch Women Writers 1919-1970
Mathijs Sanders,
Pelgrims in een onttoverde wereld
over: Rajesh
Heynickx, Meetzucht en mateloosheid. Kunst,
religie en identiteit in Vlaanderen tijdens het interbellum
Jan Lensen,
Achter de schermen van het NVT
over: Bert van
Raemdonck, Allemaal zeep aan onze zolen. Kroniek
van het Nieuw Vlaams Tijdschrift (1946-1950)
Tom van
Imschoot, Een biografie in kipkap
over:
Louis Paul Boon & Kris Humbeeck, Album Louis Paul
Boon. Een leven in woord en beeld
Laurens Ham,
Een staalkaart van Polets eigenzinnige universum
over:
Bart Vervaeck, Op zoek naar een mens. Lokien en
wij
Sander Bax,
De schrijver als Verlosser
over:
Marita Mathijsen, Twee vrouwen en meer. Over het
werk van Harry Mulisch
Pieter
Verstraeten, De kant van de
wetenschap? Opstellen over de mechanismen van het veld en de
betekenissen van de tekst
over:
Jos Joosten,
Misbaar. Hoe literatuur literatuur wordt
Jo Tollebeek,
De hoed van Hiel
over: Gwennie Debergh,
Lof van het stof. Een geschiedenis van het
AMVC-Letterenhuis
|
| |
Abstracts
Youri Desplenter,
Huis-tuin-en-keukenmoraal?
Jan van Leeuwen en de tien geboden
Abstract ––
Tussen de meer dan twintig geschriften die van Jan van
Leeuwen († 1378), lekenbroeder en eerste kok van het
klooster Groenendaal, zijn overgeleverd, bevinden zich twee
uitvoerige traktaten over de Tien Geboden. In de
voorliggende bijdrage worden die twee met elkaar vergeleken,
met name voor wat de compositie, de stijl en het
geïntendeerde publiek betreft. De traktaten worden verder
gesitueerd in de Middelnederlandse decaloogliteratuur en ten
slotte ook ingepast in de middeleeuwse volkstalige tradities
van Tien-Gebodengeschriften. De voornaamste bedoeling van
het artikel is na te gaan waarom Jan van Leeuwen in de
middeleeuwen een grote waardering genoot, maar in het
literatuuronderzoek nog niet exhaustief is bestudeerd. Uit
de resultaten blijkt dat de bonus cocus weliswaar
niet het ‘literaire niveau’ van Ruusbroec haalt, maar dat
hij niettemin, onafhankelijk van zijn leermeester, tot één
van de koplopers moet worden gerekend wat het transponeren
van theologische kennis en teksttradities naar de
Middelnederlandse literatuur betreft.
Abstract –
Among the more
than twenty texts that have been handed down from Jan van
Leeuwen († 1378), lay brother and first cook of the
monastery of Groenendaal, there are two extensive treatises
on the Ten Commandments. The present contribution first of
all compares these two with each other, focussing on the
composition, the style and the intended public. Furthermore,
it situates the treatises in the Middle Dutch literature on
the Decalogue, and finally, it places them into the medieval
vernacular traditions of writings on the Ten Commandments.
The main purpose of the article is to examine why Jan van
Leeuwen enjoyed such appreciation in the Middle Ages, but
hasn’t been studied exhaustively by historians of literature
up until now. The results of the investigation show that the
bonus cocus doesn’t reach the ‘literary level’ of his
master Ruusbroec, but that he nevertheless should be counted
as one of the first to transpose theological knowledge and
theological textual traditions into Middle Dutch literature.
Nele Bemong,
Intersystemische relaties tussen historische romans en
orale verhaalcultuur. De rol van motiefchronotopen
Abstract –
Deze bijdrage onderzoekt een aantal motiefchronotopen in
Vlaamse negentiende-eeuwse historische romans, namelijk de
straat, het plein, het burchtslot, de ruïne en het
spookhuis. Deze motiefchronotopen fungeren als ‘plaatsen’
(zowel in spatiale als in tekstuele zin) waar
intersystemische relaties met de orale verhaalcultuur tot
stand komen. Het zijn plaatsen waar de ruimte doordrongen is
van sagen, legenden en bijgeloof, en waar soms nog
letterlijk echo’s van stemmen uit het verleden te horen
zijn. In de jaren 1830 en 1840 zijn deze motiefchronotopen
vooral bedoeld ter introductie van een type intertekst – de
traditionele orale verhaalcultuur – dat voor de ongeletterde
Vlamingen herkenbaar is, en helpen ze dus bij de
democratisering van het leespubliek. In
de loop van de eeuw krijgen
ze uiteenlopende functies toebedeeld, zoals het preserveren
van een verdwijnende traditionele cultuur enerzijds, en het
bestrijden van het volkse bijgeloof anderzijds.
Abstract
– This contribution analyses a number of chronotopic motifs
in Flemish nineteenth-century historical novels, namely the
street, the square, the castle or its ruins, and the haunted
house. These chronotopic motifs act as ‘places’ (both in a
spatial and a textual sense) installing intersystemic
relations with the oral culture of storytelling. They are
places permeated by folk tales and legends, and filled with
echoes of voices from the past. In the 1830s and 1840s these
chronotopic motifs are especially intended for the
introduction of a type of intertext – traditional oral
culture – that is recognizable to the illiterate Flemish;
thus, they help the democratisation of the reading public.
In the course of the nineteenth century they receive other,
and more divergent functions, such as the preservation of a
disappearing traditional culture on the one hand, and the
fighting of superstition on the other.
Wouter Schrover,
Het vonnis van de lezer. Over het verhaal ‘Jansen’ van
L.H. Wiener
Abstract –
Na de publicatie van het verhaal ‘Jansen’ van
L.H. Wiener had ene L., die zichzelf herkende in een
personage uit dit verhaal, juridische actie ondernomen
vanwege een zijns inziens beledigende passage in ‘Jansen’.
Het Hof van Amsterdam oordeelde dat lezers deze passage
allicht als verwijzend naar de werkelijkheid – en dus ook
naar L. – zullen hebben opgevat, reden voor het Hof om
‘Jansen’ te verbieden. Met behulp van het zogeheten
criterium van uniciteit beargumenteert deze bijdrage hoe
fictie inderdaad kan refereren aan de werkelijkheid, zonder
daarmee de ontologische homogeniteit van fictieve werelden
teniet te doen, en hoe lezers verwijzingen naar de
werkelijkheid in fictie ontdekken. Tegelijkertijd wordt
echter uitgelegd hoe lezers met een hoog niveau van
literaire socialisatie door een meer inhoudelijke analyse
van ‘Jansen’ kunnen zien hoe de werkelijkheidssuggestie van
de bewuste passage door het verhaal ondermijnd wordt. Aldus
wordt duidelijk dat het vonnis van het Hof in grote mate
afhangt van de keuze van de relevante lezersgroep.
Abstract
– After the
publication of the story ‘Jansen’ by L.H. Wiener, someone
referred to as L. instituted legal proceedings because of an
insulting passage in this story. The court of Amsterdam
found that readers probably considered this passage as
referring to reality – and to L. in particular – and
therefore decided to ban the story. With the help of the
so-called criterion of uniqueness, the present article shows
how fictional works can refer to reality without nullifying
the ontological homogeneity of the fictive worlds. It is
also shown how readers discover reference to reality in
fiction. At the same time, the contribution pays attention
to different sorts of readers. Readers with a high level of
literary socialization can analyze ‘Jansen’ more thoroughly
and will then see how the suggestion of reality of the
passage under discussion is undermined by the story itself.
Thus it becomes clear that the ruling of the court largely
depends on the choice of the relevant group of readers with
respect to ‘Jansen’.
Jos Joosten, ‘Toch is het niet
altijd even hoogstaand en prijzenswaardig’. Nederlandstalige
literatuurkritiek op het internet
Abstract
– In recente, met name Duitse, wetenschappelijke literatuur
over theorie en praktijk van de literaire kritiek wordt
steevast aandacht besteed aan de rol die internet steeds
meer lijkt te (kunnen) gaan spelen als medium voor kritiek.
Dit onderzoek is echter eerder oriënterend en verkennend van
aard, en zeker niet altijd even gefundeerd en steekhoudend.
In Nederland bestaat nog nauwelijks wetenschappelijk
onderzoek naar de rol van internet binnen de
literatuurkritiek. Deze bijdrage bestudeert drie factoren
die van belang zijn bij de verhouding tussen literaire
kritiek en het nieuwe medium: de internet-lezer, de
internet-criticus en de mate van institutionele inbedding
van het nieuwe fenomeen. De conclusie is dat, voor wat
betreft alle drie de punten, in het Nederlands taalgebied
voor literatuurkritiek op internet (nog) geen belangrijke
rol is weggelegd.
Abstract
– In recent, especially German, scholarship on the theory
and practice of literary reviewing, it has been common
practice to pay attention to the role that is (or may be)
performed by the internet as a medium for literary reviews.
This research, however, tends to be of an exploratory nature
and is certainly not always empirically grounded or
relevant. In the Netherlands, there has hardly been any
scholarly research into the role of the internet in
reviewing. This contribution studies three important factors
in the relationship between literary reviewing and the new
medium: the internet reader, the internet critic, and the
degree to which this new phenomenon has been institutionally
embedded. The conclusion is that, as far as all three points
are concerned, the role of literary reviewing on the
internet in the Dutch language region is (as yet) a minor
one.
|