 |
INHOUD VAN 2010/2 [jg. 52, nr. 2]
Anneke C.G. Fleurkens,
Een kwestie van
identificatie. De
stcn,
een vingerafdruk en Roemer Visschers
Brabbeling
uit 1614
Riet Schenkeveld-van der Dussen,
Goethes
luisterboek
Hermann und Dorothea
en zijn Nederlandstalige bewerkingen
Carl de Strycker,
Tübingen als
poëticaal strijdperk. Een dubbele lectuur van het
Tübingen-gedicht van Jan Lauwereyns
In Margine
Ben de Bruyn,
Het gelaat van
Levinas en het scheermes van Lamarque.
Over filosofie en literatuur, ethiek en waarheid
Boekbeoordelingen
Geert H.M. Claassens, In de schaduw van Bonifatius
over: Ludo Jongen
(ed.), Het leven van de heilige
bisschop Sint Ludger
Mieke B. Smits-Veldt,
Leven en werk van Jan Zoet
over:
Rudolf
Cordes, Jan Zoet, Amsterdammer
1609-1674. Leven en werk van een kleurrijk schrijver
Marcel de Smedt,
Gezelle en het politieke debat
over:
Adelheid
Ceulemans, Spoker in Reinaert de
Vos. Tekstuele analyse en contextuele studie van de
nationaal-politieke teksten van Guido Gezelle in het
weekblad Reinaert de Vos (1860-1865)
Klaus
Beekman, ‘De bankroet jazz’ in
woord en beeld
over:
Paul van Ostaijen, De bankroet jazz
Francis Mus,
J.J.P. Oud en Het Overzicht
over:
Sjoerd van Faassen &
August Hans den Boef, Het pseudo moderne nevens
het ware. De briefwisseling van de architect J.J.P. Oud met
Jozef Peeters en Michel Seuphor, redacteuren van het
constructivistische tijdschrift Het Overzicht, 1921-1925
Liselotte
Vandenbussche, Een kat met negen
levens. Een nieuwe biografie van Alice Nahon
over:
Manu van der Aa, Ik heb de liefde liefgehad. Het
leven van Alice Nahon
Edwin Praat,
Gerard Reve: zijn leven, zijn werk
en zijn ananas van 75 cent
over:
Nop Maas,
Gerard Reve. Kroniek van een schuldig leven. I: De vroege
jaren (1923-1962)
Carl de
Strycker, Proberen te lezen los
van de clichés
over:
Gaston Franssen,
Gerrit Kouwenaar en de politiek van het lezen
Cin Windey,
De rol van de marge
over:
Yra van Dijk & Koen
Hilberdink (ed.), Jan Campert-prijzen 2008
Anke
Gilleir, Het laboratorium van de
literatuur: identiteit en literariteit
over:
Liesbeth Minnaard,
New Germans, New Dutch. Literary Interventions
Kees Snoek,
Boeiende verkenningen van een comparatist
over:
Walter Thys,
Intra & extra muros. Verkenningen voornamelijk in de
neerlandistiek en het comparatisme
Ralf Grüttemeier,
Een opstap naar het canoniseren
van het canondebat
over:
Lizet Duyvendak & Saskia Pieterse
(ed.), Van spiegels en vensters. De literaire canon in
Nederland
|
| |
Abstracts
Anneke C.G. Fleurkens, Een kwestie van
identificatie. De
stcn, een vingerafdruk en Roemer Visschers
Brabbeling uit 1614
Abstract
– According to the Short-Title Catalogue, Netherlands (STCN)
only one edition of the collected poems of the Dutch author
Roemer Visscher (1547-1620), known as Brabbeling (Twaddle),
was published in 1614. The STCN’s conclusion is based on the
evidence that all known copies have the same ‘fingerprint’,
i.e. the position of certain signatures of quires in
relation to the text above, meant to distinguish different
editions of the same text. However, a research into possible
variants within the edition 1614 revealed in one copy such
an amount of differences that the following conclusion
became inevitable: the Brabbeling was not published
once but twice within the same year. This observation raises
questions about the reliability of the method of
fingerprints used by the STCN to discern different editions.
Samenvatting –
Volgens de Short-Title Catalogue, Netherlands (STCN) is er
van de door Roemer Visscher (1547-1620) zelf bezorgde
uitgave van zijn verzamelde gedichten, de Brabbeling,
in 1614 slechts één druk verschenen. Alle getraceerde
exemplaren voldoen immers aan dezelfde ‘vingerafdruk’, de
positie van bepaalde katernsignaturen ten opzichte van de
tekst daarboven, op grond waarvan men kan bepalen of er
sprake is van één of meerdere drukken. Echter, onderzoek
naar mogelijke interne varianten binnen deze editie leverde
in één exemplaar van de Brabbeling zoveel varianten
op dat geen andere conclusie mogelijk was dan dat hier
sprake was van een andere druk binnen hetzelfde jaar. Deze
waarneming roept vragen op over de betrouwbaarheid van de
vingerafdruk in de SCTN als methodiek om drukken te
onderscheiden.
Riet Schenkeveld-van der Dussen, Goethes
luisterboek
Hermann und Dorothea en zijn Nederlandstalige bewerkingen
Abstract
– This article deals with the reception of Goethe’s
Hermann und Dorothea in the Netherlands and Flanders
between 1826 and 1998. The first translation was,
exceptionally, in prose, by the Dutch author and notary
public C. ten Hoet Jzn, in 1826. Flanders followed with the
hexametric translations by Frans Willems (1864) and J.
Brouwers (1885). Both were school teachers who primarily
used their translations to show the possibilities of the
Flemish language for higher literature. In the Netherlands,
the important publishing house of A.W. Sijthoff participated
in an ambitious international enterprise which offered the
poem in Germany, England and the United States in an
artistic form with an elaborate gold stamped binding and ten
mounted albumen photographs (1885). The Dutch translator was
once more a teacher, Antonie L. de Rop. In 1885, too, A.W.
Dewald, author of various school texts, published his
translation. The 20th century saw translations by Hendrik
Pierson, minister and director of philanthropic institutions
for unmarried women and their children (1918) and Maarten
Looij (1998), again a teacher. Initially, Goethe was seen as
the dangerous and immoral author of Werther and
Faust. The small epic idyll served the purpose to show
him in a more
favourable
light. It was intended by Goethe to be an important
demonstration of the role of the ‘Weltschicksal’ in the life
of ordinary people, at the time of the French Revolution.
The translators hardly paid attention to this aspect and
presented the idyll as a beautiful and innocuous story,
suitable to be read aloud to women and children.
Samenvatting
-
De receptie van Goethe’s Herrmann und Dorothea (1798)
in Nederland en Vlaanderen tussen 1826 en 1998. De eerste
vertaling, de enige in proza, was van de hand van notaris C.
ten Hoet Jzn.(1826). In Vlaanderen verschenen de eerste
hexametrische vertalingen, van Frans Willems (1864) en J.
Brouwers (1885). Beiden waren leraar, later schoolopziener,
en hun bedoeling was kennelijk met deze vertalingen te
demonstreren dat het Vlaams bruikbaar was voor grote
literaire prestaties. In Nederland nam uitgever A.W.
Sijthoff deel in een internationale onderneming. In
Duitsland, Engeland en de Verenigde Staten en dus ook in
Nederland verscheen Herman en Dorothea in de vorm van
een prestigieus coffee table book in goudgestempelde band
met tien ingeplakte lichtdrukken (1885). De vertaler was de
Amsterdamse onderwijzer Antonie de Rop. In hetzelfde jaar
verscheen ook nog een vertaling van A.W. Dewald, auteur van
schoolboeken. De twintigste eeuw bood nog vertalingen van
ds. Hendrik Pierson, directeur van filantropische
instellingen, o.m. een tehuis voor ongehuwde moeders (1918).
Hij las de bewoonsters het gedicht ook voor. De reeks werd
afgesloten door de docent Maarten Looij (1998). Aanvankelijk
werd Goethe in Nederland vooral gezien als de zedeloze
auteur van werken als Werther en Faust. Later
neemt de bewondering voor de grote Duitse auteur toe.
Herman en Dorothea bleek uiterst geschikt om Goethe
ongevaarlijk te maken. De epische idylle was door Goethe
bedoeld om de rol van het ‘Weltschicksal’ in het leven van
gewone burgers te demonstreren, in dit geval aan de hand van
de Franse Revolutie. De vertalers tonen voor dit aspect
nauwelijks aandacht en presenteren de epische idylle als
een mooi en onschuldig verhaal, geschikt om aan vrouwen en
kinderen voor te lezen.
Carl de Strycker,
Tübingen
als poëticaal strijdperk. Een dubbele lectuur van het
Tübingen-gedicht van Jan Lauwereyns
Abstract
–
This article offers an analysis of the poem ‘Tübingen, juli’
from the volume Buigzaamheden by Jan Lauwereyns.
Starting from a reflection on the reading process and the
distinction between two types of meaning made by Derrida en
Riffaterre, two ways of attributing meaning are being
investigated. This results in two divergent readings of the
poem, which both have a poetical counterpart: one reading is
referential and is based on a poetics of mimesis, the other
is intertextual and concerns a poetics that considers the
poem to be a producer of significance. The text referred to
in Lauwereyns’s verse, namely Paul Celan’s ‘Tübingen, Jänner’,
turns out to be a key text in Lauwereyns’s poetics. This
article explores firstly how Lauwereyns formulated his
poetics in relation to Celan’s poem, and secondly how his
work relates to the two poetical tendencies described above.
Samenvatting
– Deze bijdrage biedt een lectuur van het gedicht ‘Tübingen,
juli’ uit de bundel Buigzaamheden van Jan Lauwereyns.
Uitgaande van een reflectie op het interpretatieve proces,
waarbij met Derrida en Riffaterre twee vormen van betekenis
worden onderscheiden, worden twee manieren van
betekenistoekenning onderzocht. Dat leidt tot twee
uiteenlopende lezingen van het gedicht die beide te koppelen
zijn aan een literatuuropvatting: een referentiële lectuur
die past binnen een mimetische poëtica en een intertekstuele
lezing die past bij een poëtica die het gedicht als
betekenisproducerende instantie beschouwt. De tekst waarnaar
Lauwereyns’ gedicht verwijst, Paul Celans ‘Tübingen, Jänner’,
blijkt een cruciale functie te vervullen in Lauwereyns’
poëtica. Nagegaan wordt hoe hij zijn poëtica bepaalt in
relatie tot Celan en hoe Lauwereyns zich verhoudt tot de
twee beschreven poëticale tendensen.
Ben de Bruyn,
Het
gelaat van Levinas en het
scheermes van Lamarque. Over
filosofie en literatuur, ethiek en waarheid
Abstract
– This essay compares two recent books on literature written
by philosophers. Sprekende werken, the Festschrift
for Jacques de Visscher, discusses individual texts (and
other artworks) with the help of ideas derived from
Heidegger, Derrida and Levinas. The book does not offer an
explicit and satisfying treatment of the broader issues
referred to in the title and introduction, namely the nature
of philosophical approaches to literature, the distinct
characteristics of literature and the ethical and cognitive
aspects of literary reading. Peter Lamarque’s Philosophy
of Literature offers a lucid overview of the way
analytic aesthetics treats various conceptual puzzles
related to literary practice. That leads to fruitful
methodological suggestions for literary theory as well as a
more satisfying treatment of the ethical and cognitive
dimensions of literature, even though Lamarque’s
institutional approach leads to certain problems.
Samenvatting –
In dit essay worden twee recente
filosofische
boeken over literatuur vergeleken. Sprekende Werken,
het
Festschrift
voor Jacques de Visscher, bespreekt individuele teksten (en
andere kunstwerken) in het licht van de filosofie van
Heidegger, Derrida en Levinas.
Het boek doet geen
duidelijke uitspraken
over de algemene kwesties die het thematiseert in de titel
en de inleiding, met name de rol van de literatuurfilosofie,
de eigenheid van de literatuur en de aard van de literaire
ethiek en waarheid. Peter Lamarques Philosophy of
Literature schetst een helder overzicht van de manier
waarop de analytische literatuurfilosofie omgaat met diverse
conceptuele puzzels die samenhangen met de literaire
praktijk. Dat levert vruchtbare methodologische suggesties
op voor de algemene literatuurstudie en leidt tot een meer
bevredigend beeld van de literaire ethiek en waarheid, ook
al kampt Lamarques institutionele perspectief met bepaalde
problemen.
|